Over religieus geweld.

Religieus geweld is een hot item. Aan de Universiteit Utrecht waar ik vaak colleges over dit thema geef zijn studenten vaak bijzonder geïnteresseerd in de vraag hoe het nu toch komt dat mensen in naam van hun overtuiging in staat zijn andere mensen geweld aan te doen, pijn te doen, te doen lijden. Wat gaat er in deze mensen om en wat valt er tegen te doen, als er al wat tegen te doen valt. Ik vermoed dat uw vragen niet veel anders zijn.

We moeten bij het beantwoorden van deze vragen niet vervallen in een simpele stelling dat we vooral tegen geweld zijn. Ik zal u straks laten zien dat dit misschien juist wel het probleem is, dat we zo tegen geweld zijn. Immers, ook de daders van bomaanslagen zijn tegen geweld. En veruit de meeste gewelddadige conflicten worden aangegaan omdat de ene partij zo tegen het geweld van de andere partij is. Dat klinkt nu wellicht nog wat vreemd, maar ik zal proberen u straks uit te leggen wat ik hiermee bedoel. Maar eerst zal ik de thema’s op tafel leggen die ik graag met u zal willen bespreken. Daarbij zal ik me richten op thema’s die de relatie tussen religieuze overtuiging en geweld markeren. De thema’s zijn de volgende.

Allereerst wil ik wat context geven aan het probleem. Waarover spreken we als we het over geweld hebben? Meestal zijn we tegen geweld. Maar waar zijn we eigenlijk tegen, wanneer worden we voor en wat is daarbij het breekpunt? Ik behandel dan een aantal recente inzichten uit de sociale psychologie waaruit blijkt dat geweld toch minder makkelijk is dan vaak wel wordt beweerd.

Hieruit komen twee gerelateerde thema’s naar voren.  Het eerste is het thema van het slachtofferschap. Immers, haast alle plegers van geweld profileren zichzelf als slachtoffer. Het tweede thema is hiermee verbonden. Hier gaat het om geweld en religieus geweld als tegengeweld.

Dit zal ik illustreren aan de hand van wat daders zeggen over waarom zij hebben gedaan wat zij deden.

Daarna vragen we ons af welke speciale invulling religieuze overtuiging kan geven aan het rechtvaardigen van geweld. Het gaat dan dus specifiek om de rechtvaardiging. Hoe gaat dat in zijn werk en is religieus geweld anders dan ander geweld en zo ja, hoe en waarom dan.

Uiteindelijk zullen we dan wat conclusies trekken wat naar ik hoop aanleiding kan zijn voor verder gesprek over dit thema.

Geweld

Waarover spreken we als we het over geweld hebben? Meestal zijn we tegen geweld. Maar waar zijn we eigenlijk tegen, wanneer worden we voor en wat is daarbij het breekpunt?

Om nuchter over geweld te spreken moet eerst iets worden gezegd over het dominante beeld van geweld dat vooral door de media maar ook door films, literatuur, games en andere cultuurproducten naar voren treedt. Dit beeld presenteert geweld als iets menselijks, meer mannelijk dan vrouwelijk, iets dat gemakkelijk is om te doen, iets ook dat besmettelijk is: wanneer een situatie van geweld ontstaat doet iedereen mee.

In de saloon valt de eerste vuistslag en al rap buitelen de cowboys over elkaar heen en trekken hun pistool. De legers staan tegenover elkaar maar wanneer het signaal wordt gegeven stort iedereen zich enthousiast in het krijgsgewoel. In films wordt geweld geërotiseerd als vaak als een gemakkelijke en vooral rechtvaardige oplossing voorgesteld. Naast cultuurbeelden van geweld wordt ook door filosofen vaak over geweld geschreven alsof het een haast banale menselijke eigenschap is.

De uitspraak homo homini lupus, de mens is de mens een wolf, komt van Thomas Hobbes hoewel sporen van deze uitspraak al teruggaan op de Romeinen. Vaak wordt Hobbes aangehaald om aan te tonen dat als er geen regels zouden zijn, geen heldere wetten en een functionerend rechtssysteem, mensen hun eigenbelang met geweld zouden verdedigen.

Het probleem met deze visie is tweeledig. Allereerst impliceert dit perspectief dat geweld bij de menselijke natuur zou behoren. Er tegen zijn verkrijgt daardoor iets tegennatuurlijks. Daarnaast werkt dit perspectief ook als een selffulfilling prophecy. Wanneer beleidsmakers en politici ervan uitgaan dat geweld nu eenmaal menselijk is, kan dit bepalend zijn voor de manier waarop zij oplossingen voor conflicten aandragen. Ik zal u daarvan een voorbeeld geven.

In 1992 liep het zoals u wellicht nog weet behoorlijk uit de hand op de Balkan. Tussen de Kroaten, Serven en Bosniaks liep de spanning hoog op. Die spanning had een lange geschiedenis maar dreigde te escaleren. Binnen de Verenigde Naties werd een interventie afgewogen. Kerst 1992 krijgt toenmalig president Clinton van de VS een boek voor zijn kerst krijgt over de Balkan. Het is het boek Balkan Ghosts van Robert Kaplan. Een cynisch boek met een defaitistische teneur: het wordt nooit wat op de Balkan totdat die lui daar eindelijk moe worden elkaar uit te moorden. Het boek maakte indruk op Clinton en de VS pleitten binnen de Verenigde Naties ervoor de Balkan te isoleren. Wat volgde weet u wellicht nog. Een extreem bloedige burgeroorlog. Ik geef toe, dit voorbeeld is geen zuivere illustratie, maar wel een voorbeeld van hoe onze visie op geweld uiteindelijk ook geweld kan voortbrengen. Laten we nu eerst eens kijken naar wat geweld is. Ik maak hiertoe gebruik van de onderzoeksresultaten van een van de meest gezaghebbende sociologen op dit moment: Randall Collins.

Randall Collins is bekend geworden vanwege zijn micro-sociologie van gewelddadig conflict. Micro-sociologie wil zeggen dat hij de vraag stelt: wat gebeurt er nu precies in de interactie tussen mensen wanneer sprake is van geweld. Tot zo’n 20 jaar geleden was deze vraag lastig te beantwoorden en waren we vooral aangewezen op getuigenverslagen en psychologische interpretaties. Maar sinds YouTube en meer cameracontrole op straat beschikken we over duizenden filmpjes van journalisten, passanten, maar ook participanten, die ons laten zien wat er gebeurt wanneer twee groepen clashen.

Collins bevindingen komen op het volgende neer. Geweld is niet de regel van conflict maar de uitzondering. Anders dan veel populaire visies zijn mensen niet goed in geweldpleging, met uitzondering van psychopathische afwijkingen. In veruit de meeste gevallen komt groepsconflict niet tot geweld. Wel is de dreiging van geweld onderdeel van de ritualiteit waarmee groepen die met elkaar in conflict zijn elkaar bejegenen. Er wordt geroepen, geschreeuwd, stoer gedaan. Hierbij kunt u denken aan grote groepen voetbalsupporters die aan weerszijde van de Herengracht in Amsterdam elkaar uitdagen, met een veilige gracht tussen hen in en een symbolische aanwezigheid van de ME op een brug. Of aan hoe een Ajax-supporter om het leven kwam bij een gevecht met Feyenoord-supporters net buiten Amsterdam een aantal jaar terug. Beide groepen reageerden geschokt. Dit was nooit de bedoeling. Mensen zijn goed in dreigen maar slecht in het plegen van geweld. Meestal weten we onze conflicten heel goed op te lossen zonder geweld. Wanneer een oplopende spanning wel in geweld resulteert wordt dan ook aan hele specifieke voorwaarden voldaan.

Groepsconflicten resulteren in geweld wanneer de een sociale en emotionele dominantie over de ander heeft verkregen. Dat betekent dat de hardste klappen vallen op degenen die in elkaar duiken, degenen die in het ritueel van geweld de slachtofferrol aannemen.

Nu, dit is geen wet van Meden en Perzen maar vindt vaker wel dan niet plaats. Tijdens de genocide in Rwanda bijvoorbeeld in 1994 vonden er, zoals u wellicht nog weet, massaslachtingen plaats op kruispunten van wegen, bij hotels en bij en in kerken. Uit onderzoek blijkt dat zo’n 70% van de Hutus die wel aanwezig waren bij de moordpartijen niet participeerden in het geweld, maar wel stimulerend aanwezig waren. Bij grote moordpartijen werden geïsoleerde Tutsis, die net buiten de groep verbleven, het eerst aangevallen. Dit toont in Collins ogen dat een situatie vooral gewelddadig wordt wanneer sociale dominantie verkregen is en de dader- en slachtofferrol duidelijk verdeeld.

Maar daar zijn wij uiteraard nog niet heel erg tevreden mee. Immers, hoe verklaart dit systematische massamoord, geplande genocide? Ik maak hierover twee opmerkingen waarbij de laatste opmerking de opmaat vormt voor het volgende thema. Ten eerste is massamoord of genocide onpersoonlijk geweld. Het is –zoals we dat dan noemen- categorisch geweld. Ook categorieën kunnen elkaar in stand houden maar de situatie wordt riskant wanneer een groep over een andere groep sociale en emotionele dominantie claimt en verkrijgt. Of het nu gaat om joden in Nazi-Europa, Tutsi’s in Rwanda, Serven in fascistisch Kroatië, Bosniaks in Servisch Bosnië, Armeniërs in Turkije gedurende de Eerste Wereldoorlog, steeds is er een categorische groep die in een slachtofferrol wordt gemanoeuvreerd en rechteloos gemaakt. Dit vindt dus al plaats in de context voor de daadwerkelijke geweldpleging. Bij de uiteindelijke moord is de relatie tussen slachtoffer en dader dan ook scheef en vindt er geen confrontatie plaats op gelijk niveau: het slachtoffer wordt niet direct in de ogen gezien maar opgesloten en vergast, geblinddoekt en geëxecuteerd, in kerken gedreven en verbrand, met kapmessen om het leven gebracht terwijl zij ineengedoken zijn, of uitgehongerd tot de dood.

Ten tweede ontstaat geweld dus nooit plotseling, in het luchtledige, zeker niet tussen groepen. Iedere uitbarsting van geweld is het resultaat van een geschiedenis waarin onderlinge spanningen worden opgebouwd. Tussen groepen bestaan altijd spanningen. Die zijn noodzakelijk om de eigen identiteit vast te kunnen stellen. Je denkt te weten wie je bent doordat je ook denkt te weten wat je niet bent. Je bent christen, geen moslim. Je bent jood, geen christen. Je bent atheïst, niet religieus. De andere groep kan in tijden van oplopende spanningen fungeren als een soort ‘afvalcontainer’ voor de eerste groep. Ik bedoel hiermee dat de andere groep vooral representeert wat de eerste groep niet is, niet wil zijn en nooit zal zijn. In de Nederlandse samenleving bijvoorbeeld wordt islam gezien als intolerant, onvrij en ongeëmancipeerd. Dit zijn visies die niet expliciet door moslims als waarden worden uitgedragen maar waarmee Nederlanders zichzelf kunnen definiëren als tolerant, vrij en geëmancipeerd. Vaak hebben groepen specifieke geschiedenissen met elkaar, zoals de Hutus en de Tutsis, de Serven en Kroaten, de Israëliërs en de Palestijnen. [intragroepsgedrag]

Wat nu opvalt wanneer groepen met elkaar op gewelddadige manier clashen zijn twee dingen. Ten eerste is zo’n gewelddadige clash dus een escalatie van een oplopende spanning die niet op tijd wordt ontspannen en daardoor feitelijk pas ‘ontspant’ via een geweldsuitbarsting waarbij dominantie wordt gezocht. We zagen al dat geweld op dit niveau doorgaans niet meer persoonlijk is maar vooral categorisch. Niet je persoonlijke identiteit is hier van belang maar je groepsidentiteit.

Ten tweede, en dat is haast nog meer van belang, valt op dat gedurende de turbulente opbouw van spanningen groepen zichzelf als slachtoffer van de andere groep profileren. Ook Hutus en Serven zagen zichzelf als slachtoffer van de ander. Ook Birmese buddhisten wijzen op het geweld van de Rohingyas, en het recht van tegengeweld. En zoals u weet kunnen we dit ook terugzien in het conflict tussen Israël en Palestina waarbij beide groepen zichzelf als slachtoffer zien. Wel beschouwd hebben we dus geen daders tijdens een gewelddadig conflict, maar is geweld altijd het geweld van slachtoffers. Een actuele wetenschapper die aan deze dynamiek veel aandacht heeft besteed is Diane Enns met haar boek Het geweld van het slachtofferschap.

Ik kom hier straks nog even op terug. Ok. Wat hebben we totnogtoe gezien? Ik heb aandacht besteed aan de vraag naar geweld en met de socioloog Collins erop gewezen dat geweld ondanks de massale representatie van geweld in films, literatuur en games, niet een typisch menselijke manier is om communicatie te regelen maar wel een menselijke mogelijkheid om uit de hand lopende spanningen op te ruimen. We hebben gezien dat groepsgeweld vooral categorisch geweld is. En we hebben kort aandacht besteed aan het zelfprofiel van daders die zichzelf doorgaans als slachtoffers neerzetten.

Dat laatste pik ik nu op en dan breng ik religie in. Het gaat hier dan nadrukkelijk om slachtofferschap als zelfprofilering, en niet om de slachtofferrol die we eerder analyseerden als resultaat van de rolverdeling tussen dader en slachtoffer. Ik wil met u kijken naar een drietal citaten van geweldplegers. Alle drie de citaten zijn reflecties op geweld. De vraag aan dit drietal is waarom zij deden wat zij deden. Het eerste citaat komt van Osama bin Laden. 9/11

  • “Wij worden als moslims geweld aangedaan in Palestina, Irak, Libanon, Sudan (…) en over de hele wereld”
  • Focus vooral op kinderen: “meer dan een miljoen kinderen stierven in Irak en wie heeft er geprotesteerd?”
  • Ergo: het imago van slachtofferschap loopt vooral via het kwetsbare slachtoffer

Bin Laden identificeert zich met het slachtoffer dat hij wreekt. 9/11 is daarmee een kopie van het lijden. De slachtoffers worden gepresenteerd als deel van de religieuze gemeenschap. Sterker: het kwetsbare en onschuldige deel van de gemeenschap, nl kinderen. De legitimiteit van 9/11 is ingegeven door de moord op kinderen. Omdat bin Laden deze antwoorden gaf op de vraag hoe 9/11 zou kunnen worden gerechtvaardigd, hoe het kan worden gerechtvaardigd dat zoveel onschuldige slachtoffers zijn gevallen, kan worden gesteld dat bin Laden de competitie aangaat om het slachtofferschap.

Tweede citaat:

“Die beelden zijn foto’s van wat echt is gebeurd. Ze zijn gescand, in een computer gezet en geupload. Ze zijn onbeweeglijk, geluidloos. Maar hun zielen schreeuwden het uit in doodsangst en hun lijden vulde mijn hart… Het lijden van hun ouders voelde ik. […] Jullie huilen, o hoofdloze kinderen, kapotgeslagen tegen de muren van Palestina, jullie geween o Afghaanse kinderen, riep mij aan, jullie allen, die zijn doodgemaakt door de vuile bommen uit de hel” (Tempo, 2003: 15-16)

Derde citaat:

  • Toen de bendes kwamen vroegen de mensen: vader, mogen we onze vijand doden? Het was moeilijk om hier theologisch op in te gaan. Ik wist dat we dat recht niet hadden. Ik worstelde er mee. Maar weet je, het was die situatie. Je kunt niet over thyeologische en ethische waarden spreken in zo’n situatie. Het was een krankzinnige tijd. Soms zei ik toch maar: ja, we hebben die rechten. Dat was voor hen voldoende. Het was niet wijs om dat te zeggen. Maar in die tijd kun je geen normaal perspectief handhaven. Je moet je die tijd voorstellen. Je kunt je waarden alleen redden door weg te gaan, weg uit dat gebied. Wat konden degenen die bleven doen? Als er plotseling een bende je dorp overvalt en de buik opensnijden van je zwangere vrouw, de feutus eruit halen en doodsteken? Wat kun je doen? Jezelf verdedigen, je familie verdedigen, het ongeboren leven in de buik van je vrouw verdedigen? Je doodt of je wordt gedood.

Deze citaten op een rijtje zettend komen er twee interessante thema’s uit naar voren. Ten eerste is het gepleegde geweld verdedigend geweld of tegengeweld. Geweld wordt zo altijd gerechtvaardigd vanuit een eerder geweld. Daders kunnen zichzelf zo zien als slachtoffers van eerder geweld, of dit nu het VN-embargo van Irak is, de bombardementen op Kabul of de kampongaanvallen op Ambon. Hieruit vloeit het tweede thema voort: deze mannen legitimeren hun geweld als noodzakelijk geweld vanwege het feit dat de andere groep het meest fragiele deel van hun gemeenschap heeft aangevallen, gedood en dat er nooit recht is gedaan. Hiermee verstevigen zij het beeld van slachtofferschap doordat zij zich met het meest kwetsbare deel van de gemeenschap verbinden.

Dan de vraag: doen zij dit als religieuze actoren? Ja en Nee. Ja, omdat deze verbondenheid de verbondenheid is met de religieuze groep. Ja ook, vooral bij moslim-daders, maar ook bij joden, christenen en hindoes, omdat zij appelleren aan recht dat moet worden gedaan en zichzelf daarbij situeren in tradities van bijvoorbeeld de sharia of dat zij andere groepen identificeren met de vijanden uit de eigen traditie: zo werden Palestijnen weleens Amalekieten genoemd, of joden Christusverraders.

Maar ook Nee, omdat deze verbinding met het meest kwetsbare deel van de gemeenschap een gegeven is dat ook bij niet-religieuze groepen geweld rechtvaardigt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bijvoorbeeld werden Engelse mannen gemobiliseerd “to defend our women and children”. De Duitse inval in Polen in augustus 1939 werd gerechtvaardigd doordat men zei dat de Duitse bevolking in het Poolse grensgebied door Poolse militairen werd uitgemoord en verkracht. De Amerikaanse aanval op Kabul in 2001 werd ook gelegitimeerd door te stellen dat vrouwen en kinderen de meest kwetsbare slachtoffers waren van de Taliban en dus moesten worden bevrijd. En denkt u maar eens aan al die campagnes van humanitaire organisaties om geld in te zamelen en fragiele burgers daarbij iconisch in beeld brengen.

Een verschil is soms wel, en dat is een effect van het internet, dat degenen met wie je je solidair weet soms niet de leden zijn van je eigen groep. Kijk bijvoorbeeld maar eens naar de solidariteit met Israël of met de Palestijnen en de manier waarop die in beeld wordt gebracht.

Dan ga ik tenslotte nog even bij Diane Enns te rade voordat we de finale inzetten. We zagen al dat daders zich vooral solidair verklaren met slachtoffers. Dat, zogezegd, de dader het beeld van het slachtoffer dat hij wreekt als het ware kopieert in een nieuwe daad van geweld. Deze solidariteit wordt soms van een afstand beleefd. Jacky Manuputty maakte het van dichtbij mee, maar Imam Samudra had een best wel goed en geweldloos leven op Midden-Java. Enns zegt dat juist deze solidariteit met een bepaalde groep je de ogen kan doen sluiten voor het geweld van deze groep. We staan dan op een afstandje en kijken ernaar. De verbondenheid met het slachtoffer kan het geweld rechtvaardigen of tenminste voor ons gevoel ‘begrijpelijk’ maken. Het slachtoffer dat terugslaat wordt zo maar zelden een dader, verantwoordelijk voor de eigen daden van geweld. Het is van belang hier om de wilsbekwaamheid van slachtoffers niet te bagatelliseren, zo schrijft Enns, maar om ook slachtoffers die daders worden verantwoordelijk te houden voor het lijden dat zij veroorzaken. Daar, zo zou je kunnen zeggen, hebben zij recht op.

Ik vat zeer kort samen: geweld is een menselijke mogelijkheid, maar niet gemakkelijk. Categorisch geweld is het resultaat van opgebouwde spanningen tussen groepen. Daders kunnen zich, met een verwijzing naar vaak recente geschiedenis profileren als staande aan de zijde van de slachtoffers of zelfs zelf slachtoffer zijn. Hun geweld verstaan zij als tegengeweld waarbij zij worden gemotiveerd door beelden of verhalen over kwetsbare slachtoffers, vaak van de eigen gemeenschap, maar niet altijd. Religies kunnen frames of kaders leveren waarbinnen tegengeweld gerechtvaardigd is. Uiteindelijk is dan iedere dader slachtoffer en motiveren slachtoffers de daders van morgen. Hierdoor ontstaat een cyclus van geweld en hierover zullen we in de discussie die nu volgt waarschijnlijk nog volop aandacht aan besteden.

Lucien van Liere

Mijn kerk

Oude_Matthes
De Oude Mattheüs
Grotestraat 50
7151 BD  Eibergen
0545-471217
Antonius
De Antonius
Lindevoort 20
7157 AL  Rekken
0545-471217
De Huve-1
De Huve
Grotestraat 52
7151 BD  Eibergen
0545-471217
Den_Hof_te_Rekken Den Hof
Lindevoort 14
7157 AL  Rekken
0545-431335